Omdat ik ook heb geschreven en het toch een beetje zonde is als die schrijfsels verstoffen in een achtergelegen mapje op mijn computer.
(Note: gedateerdheid alom.)
_
Schijnbeeld 07/2008
Onrustig. Zo voelde hij zich al de hele week en hij werd er gek van. Er ging zo veel in hem om dat het één grote maalstroom van niet te onderscheiden gedachtes was geworden. Hij werd nerveus van zichzelf en nog meer van het feit dat zelfs een dosis aspirines niet hielp. De druk op zijn hoofd bleef en het misselijke, overvolle gevoel in zijn maag leek maar niet weg te trekken.
Zelfs optreden hielp niet meer. Sterker nog, het maakte alles dubbel zo erg. Dat extra beetje zenuwen maakte zijn nervositeit zo extreem dat hij een bron van ergernis was voor de anderen en vooral voor zichzelf: geïrriteerd, kortaf, gesloten. Het was alsof hij op het keerpunt stond van iets groots, wankelend aan een afgrond waarvan hij niet wist hoe diep de val zou zijn. Of hoe pijnlijk.
Met trillende handen drukte hij de vierde aspirine die avond uit het omhulsel en slikte hem weg met een slok bier. De bittere smaak en het verdovende gevoel van de twee niet samengaande stoffen gingen vaag langs hem heen. Zo bleef hij zitten, lichtelijk verdoofd, maar lang niet verdoofd genoeg. De verwijtende, piekerende stem in zijn hoofd bleef aanhoudelijk jammeren, schelden en zuchten. Hij schrok pas op uit zijn overpeinzingen toen er op de deur werd gebonsd. De ruis in zijn hoofd sloeg om in het gegil van duizenden meiden, fans, wanhopig wachtend op hun favoriete band. Op zijn vrienden. Op hemzelf. Hij wist dat hij vanavond barslecht zou spelen, nog slechter dan gisteravond, maar hij wist ook dat het de fans nauwelijks zou opvallen. Zelfs al was zijn gitaar niet ingeplugd, hij betwijfelde of het één van de hysterische meisjes zou opvallen.
“Ben, in vijf minuten gaat het dak eraf! Come on up!”
Ben gaf een flauwe instemming en stond vermoeid op. Toen hij langs de spiegel van de kleine kleedkamer liep ontging het hem niet hoeveel hij veranderd was. Zijn versleten spijkerbroek en zwarte shirt hingen los langs zijn magere lichaam. Zijn bruine haar was vettig en hoewel het niet verder ging dan zijn nek, zag het er warrig en onverzorgd uit. Zijn blauwe ogen leken grijs, zo dof stonden ze, en zijn eyeliner was half uitgelopen. Echt veel kon het hem eigenlijk niet schelen. Hij was zichzelf allang kwijt, de fans zouden hem toch wel aanbidden en zolang hij en z’n maten geld in het laatje brachten was iedereen tevreden. Of in ieder geval het management. Hij vroeg zich af wat er met de tijd van pure muziek was gebeurd, maar goed – zo was het, dit was het leven dat ze hadden gekozen. Hij moest dankbaar zijn: hoeveel jongens zouden er wel niet in zijn schoenen willen staan?
De ijzeren deurklink voelde koud aan tegen zijn gloeiende huid. Met tegenzin duwde hij hem omlaag. Eenmaal in het met tl-buis verlichte halletje klonk het gegil veel harder. Veel te hard. Het gebons in zijn hoofd leek het gegil te overstemmen, zo sterk werd het. Alsof iemand hem met een microfoon de grond in wilde boren. De stem in zijn hoofd schreeuwde om bevrijding, frisse lucht, een vluchtroute. Zwarte vlekken dansten voor zijn ogen. De trap naar het podium was ineens nauwelijks zichtbaar en hoewel hij bijna geen maaginhoud had voelde hij zich alsof hij moest kotsen. De bittere smaak van gal kwam sneller op dan verwacht. Kokhalzend en ijlend strompelde hij naar de trap. De muren leken op hem af te komen, de trap was ineens bedrieglijk hoog en het gegil wilde maar niet stoppen. Waarom hield het niet gewoon op? Hij voelde een paniekerig gevoel opkomen en het zweet brak hem uit. Wat deed hij hier? Waarom kon hij die verdomde trap niet vinden? Het moest hier –
Ergens ver onder zich voelde hij tegenwicht en het duurde even voordat hij besefte dat hij de trap had gevonden. Door de scherpe, metalen traprand druppelde er bloed uit zijn scheen. Duizelig probeerde hij een stap omhoog te zetten, maar zijn been werkte niet mee en de trede bleef afwezig. Hij voelde hoe hij zijn evenwicht verloor en grabbelde wanhopig met zijn armen naar houvast. Die vond hij echter niet. Met een bons viel hij tegen de muur en voor hij het wist voelde hij de verrassende vrijheid van nachtelijke buitenlucht. Hij haalde diep adem en zag dat hij in zijn val de stang van de nooduitgang naar beneden had geduwd. De nooduitgang. Hij lachte even schamper, terwijl de zompige watten in z’n hoofd leken op te lossen. De frisse lucht deed de paniek afzakken.
“Zohé.”
Met een ruk draaide hij zich om naar het schelle geluid. Het gegil gonsde nog na in zijn oren en hij voelde zich vreemd gedesoriënteerd. De smaak in zijn mond was walgelijk. Vragend keek hij op naar de persoon die op hem neerkeek.
“Zohé,” zei ze weer. Het was een meid, iets jonger dan hij misschien, die met opgetrokken wenkbrauwen en haar handen in haar broekzakken voor hem stond. Ze droeg afgetrapte gympen (dat viel hem als eerste op, aangezien hij nog steeds op de grond lag), een donkere, in zijn ogen veel te wijde spijkerbroek en een simpel zwart vest. Haar blonde haar danste om haar heen door de wind en haar wipneus stak eigenwijs in de lucht terwijl ze zei: “Zelfs voor iemand die uit de nooduitgang komt gevallen zie je er behoorlijk belabberd uit. ”
Hij moest wennen aan de manier van spreken – zo was hij lang niet behandeld. Moeizaam krabbelde hij overeind, pogend zijn gigantische hoofdpijn te negeren. Het verdoofde gevoel was door de kille wind sneller verdwenen dan hem lief was.
“Dank je,” zei hij nors, terwijl hij het zand van zijn broek klopte. “En jij bent?”
“Micha. Je bloedt. ” Hij keek even naar de scheur in zijn broek en hief zijn schouders op. Zij stak een klein handje uit, die hij wantrouwig beetpakte. Haar greep was sterker dan hij verwacht had. Het duurde even voor hij besefte dat het de bedoeling was dat hij zichzelf moest voorstellen. Het was vreemd dat te moeten doen, het voelde zowaar onvertrouwd aan. Iedereen wist wie hij was. Echter, toen hij zijn mond wilde openen hoorde hij voetstappen in de hal achter hem. Hij was bijna vergeten waarom hij door die deur was gevallen.
“Ben? Benjamin! Waar zit je, verdomme? Je moet –”
Met moeite wist Benjamin het kokhalzen te onderdrukken en zette een paar stappen bij de deur weg. Zijn hart klopte in zijn keel en het klamme zweet stond op zijn voorhoofd. Shit, hij moest hier weg, hij was echt niet in staat op het podium te staan. Écht niet. Hij keek de steeg door en zag dat het meisje een eindje verderop een sigaret aanstak. Hij slikte, het was nu of nooit. Moeizaam verzette hij zijn benen, probeerde zijn lichaam zo snel mogelijk te laten reageren.
“Micha!” Zijn stem klonk hees en raar, niet als zijn eigen. “Ik moet hier weg, snel.” Hij zag de woedende gezichten van iedereen in het gebouw voor zich als ze zouden weten dat hij er tussenuit was geknepen, maar voor deze keer kon het hem niet schelen wat ze van hem dachten. Het management kon zijn rug op. Micha keek hem vragend aan en nam een trekje. Benjamin besefte plots dat hij zijn vraag nog niet gesteld had. “Help me hier weg te komen.” Ze blies de rook uit. Wanhopig keek hij achterom. De bewaking kon ieder moment naar buiten stappen. “Alsjeblieft?” Zijn stem trilde van spanning.
Met een achteloze beweging doofde ze haar peuk en maakte een hoofdgebaar, alsof die vraag was wat ze had willen horen. “Kom mee.”
Hij telde de traptreden al niet eens meer, maar volgde met loden benen de meid, die eigenlijk een vreemde voor hem was. Hij leek wel gek – maar was hij dat niet al? Hij probeerde het lichte schuldgevoel dat opspeelde te negeren. Ze liepen nu al een eeuwigheid op de trappen van een muffig, verwaarloosd flatgebouw, ver weg van de concertzaal, die nu vol zou zitten met teleurgestelde en huilende fans. Hij had geen idee waar ze precies waren, aangezien hij de stad niet kende en hij wist niet waar dit hoorde uit te komen. Hij hoopte dat het einde snel in zicht kwam. Micha had geen woord meer gezegd na het voorval in de steeg en hij kon niet meer. Zijn koppijn hield zeurend aan. Net toen hij wilde vragen hoe lang het nog duurde, stond Micha stil.
“Hier is het.” Ze keek hem even aan, maar leek hem niet echt te zien. Haar blik stond wazig, alsof ze heel diep in gedachten was verzonken. Alsof ze keek door een groot raam achter hem, waardoor ze de hele stad kon zien. De lichten van het verkeer, de flats die als donkere gestaltes boven de nooit slapende stad uittorenden, de neonlichten van casino’s die ’s nachts hun winsten maakten. Hij keek even achterom, maar zag niets anders dan een gebleekte, vuile muur met donkere vochtplekken. Toen hij weer voor zich keek was Micha bezig met een haarspeld het slot open te breken. Met succes, want al gauw zwaaide de deur open en opnieuw werd hij verrast door de koele nachtlucht. Ze gingen door de deur en verbijstering was het eerste wat hij voelde.
Ze stonden op het dak van de flat, hoog boven het roerige stadsleven. Het uitzicht was schitterend. Je kon over de complete stad uitkijken, zag de lichten branden als hoopvolle vuurvliegjes in een zee van duisternis. Hij sloot zijn ogen. Het monotone geronk van auto’s vulde het geruis in zijn oren op en hij haalde diep adem. Het was hier perfect.
Toen hij zijn ogen opende zag hij Micha staan bij een grijs, vierkant blok, dichter naar de rand van het gebouw. Haar hand lag erop alsof ze het streelde en haar ogen waren gesloten, net als de zijne een kort moment daarvoor. Op de een of andere manier voelde hij zich geraakt door haar verschijning, ze leek breekbaar en in zichzelf gekeerd. Hij voelde de nijging haar aan te raken, haar haren, die om haar heen wapperden door de wind, achter haar oor te stoppen. Hoewel hij haar niet kende voelde hij zich opmerkelijk op zijn gemak. Ze was mooi, zoals ze daar stond, haar donkere silhouet tegen de bijna net zo donkere lucht, die enkel lichter was door al het stadslicht. Hij wilde haar vasthouden. God, wat wilde hij dat graag. Hij stapte voorzichtig dichterbij. Zij ontdooide. Een grijnsje verscheen om haar lippen, maar haar ogen lachten niet mee. Of leek dat zo door het donker?
“Wat was dat nou allemaal, net?” vroeg ze. Ze hees zichzelf op het blok en klopte naast haar, ten teken dat hij moest komen zitten. Ineens verafschuwde hij zichzelf; wie hij was, wat hij deed, hoe hij leefde. Dat hij niets over zichzelf te zeggen had en moest vluchten voor alles wat hem maakte tot wie hij was. “Niets bijzonders,” mompelde hij. Ze scheen niet te weten wie hij was en dat wilde hij graag zo houden.
“Hm.”
Het bleef een poosje stil, maar hij vond het niet erg. Het was een prettige stilte, zonder beschaamde kuchjes of hopeloze zoektochten naar onvindbare woorden. Ze zaten daar met z’n tweeën, en als hij iets naar rechts helde kon hij haar warmte voelen. Hij wenste dat hij haar geur kon ruiken, haar tegen zich aan kon houden. Hij had ineens zo’n behoefte vastgehouden te worden, en dan een keer niet omdat hij beroemd en rijk was. Hij durfde ineens niet meer naar haar te kijken. Wat had hij, hij kénde haar niet eens. Hij vroeg zich ineens af wat ze überhaupt in die steeg had gemoeten.
“Ik ben hier zo lang niet meer geweest.” Haar stem deed hem opschrikken. Voorzichtig keek hij op, zichzelf in bedwang houdend haar hand niet te pakken. Hij zag haar slikken en het viel hem op hoe schattig haar neus was, zo van opzij.
“Al zo lang…” Weer dat in zichzelf gekeerde. Het leek bijna alsof ze niet meer ademde, haar ogen gesloten en haar handen op haar schoot. Hij schoof even heen en weer, niet wetend wat te zeggen.
Weer viel er een stilte, minder ongedwongen dan de vorige keer, maar niet geheel onprettig. Hij voelde zich opeens ongelooflijk moe. Het effect van de aspirines was al zo sterk afgenomen door de beweging gecombineerd met buitenlucht, dat hij zich opmerkelijk helder voelde en zijn menselijke behoeftes naar de oppervlakte kwamen drijven. Zijn keel voelde uitgedroogd. Net toen zijn ogen dicht begonnen te glijden verbrak Micha voor de tweede keer de stilte.
“Mijn broer is hier verongelukt.” De woorden kwamen er even bitter uit als ze waren en hoewel het vermoeide gevoel op hem drukte als een warme deken, leek het ineens niet meer van belang.
“Wat is er gebeurd?” Hij merkte dat hij fluisterde, ondanks zijn verbazing over haar openheid.
“Hij viel.”
De misselijkheid deed zijn intrede weer. Hij verbaasde zich over de impact van die woorden en voelde ineens een ongelooflijke golf medelijden voor het meisje. Hij viel. Jezus.
“Wat… erg. Het spijt me.” Zijn woorden klonken troosteloos, leeg, te vaak uitgesproken door anderen. Herkauwd. Micha knikte alleen en nog voelde hij de verbazing over haar openlijke vertrouwen. Waarom vertelde ze hem dit?
“Hij deed alles voor ons. Mijn pa is hem, nadat bekend werd dat mijn moeder zwanger was van mij, gesmeerd. Hij wilde niet eens een eerste,” ging ze verder. Haar stem klonk rustig, maar in haar ogen viel het verdriet en de woede af te lezen, hoewel ze het duidelijk probeerde te onderdrukken. “Mijn broer zorgde voor ons, het geld. Nu kan ik zijn naam niet eens meer uitspreken.”
De brok in zijn keel werd met ieder woord sterker en hij kon het niet helpen dat hij dichter bij haar ging zitten. Al kende Benjamin haar niet, ze deed iets met hem en hij voelde met haar mee. Hij kon zich vinden in het vader-deel en wist dat niemand zoiets verdiende. Toen hij zijn arm om haar heen sloeg voelde ze koud aan, ondanks haar eerdere warmte. Ze duwde hem niet weg.
“Mijn ma komt haar bed niet meer uit. Geld is er niet, er is nóóit geld.” Ze leek de laatste zin uit te spuwen, met een onverwachte felheid. Nog steeds begreep hij niet waarom ze dit vertelde, hij begreep er niets van. Wie was dit meisje? Dit meisje, die toevallig in dezelfde steeg was als waar hij viel, hem niet kende, niets vroeg, maar wel ineens haar levensverhaal opbiechtte?
“Sorry voor dit,” fluisterde ze hees terwijl ze zijn hand pakte. Voor het eerst sinds de steeg keek ze hem aan, recht in zijn ogen. Hij verdronk in haar serieuze, wanhopige blik. Alsof ze hem smeekte haar te begrijpen. En toen proefde hij haar lippen. Zacht en vol, twijfelend en voorzichtig. Hoewel ze licht naar tabak smaakte voelde hij zich beter dan in lange tijd, leek hij te zweven en voor een moment helemaal zichzelf te zijn. Pas toen hij de voetstappen, het slaan van de deur en de stemmen hoorde scheurde hij zich los van haar. Met een schok opende hij zijn ogen en voor dat hij het goed en wel besefte werd hij verlicht door flitsen. De één na de ander verblindde zijn gezicht, vlekken dansten voor zijn ogen en geschrokken deinsde hij achteruit. Het duurde even voor hij besefte dat hij zojuist de voorpagina van alle roddelbladen had gehaald en met een klap kwam hij terug op aarde. Hij voelde zich verward, bedrogen, betrapt. Hoe in vredesnaam kon de paparazzi hier achterkomen? Hoe wisten ze waar hij was? Hoe, verdómme, hoe?! Wanhopig zochten zijn ogen Micha, het meisje waardoor hij zichzelf voor een kort moment had teruggevonden. Door wie hij in een kort moment gefascineerd was geraakt. Zijn hart brulde dat hij haar achterna moest, dat hij in ieder geval moest laten weten wie hij was, dat dit niet zijn bedoeling was en hij het niet kon helpen. Ze móest het weten. Toen zag hij haar, nog geen meter verderop, bedolven door de paparazzi die als aasgieren op haar waren afgegaan. Maar ze stond daar maar, zonder een woord te zeggen.
“Benjamin!” riep hij wanhopig. Ze moest het weten. “Mijn naam is Benjamin!”
Nog voor hij verder kon gaan knikte ze triest en mompelde: “Weet ik. Weet ik.”
Pas toen ze dat zei besefte hij de betekenis van haar laatste woorden voor de zoen. Pas toen begreep hij dat ze zich terecht verontschuldigd had en pas toen raakte hij zichzelf echt kwijt.
En het laatste wat hij van haar zag was dat één van de fotografen haar een bundeltje bankbiljetten in haar handen drukte, die ze dankbaar in haar zak stopte.
~
Wacht van het Leven 01/2008
Voor iedereen die me inspiratie heeft gegeven gedurende deze schrijfwedstrijd en waartegen ik wil zeggen dat ze niet moeten wachten met leven, omdat het daar simpelweg te kort voor is.
– Zaterdag 21 juni 1963, Toulouse.
Iedereen wacht. Het leven is één lang wachten, van uitkijken naar je wildste dromen tot wegrennen voor je meest beangstigende nachtmerries. Je wordt geboren en vanaf het moment dat je het daglicht ziet, vanaf het moment dat je je allereerste teug lucht inademt staat de dood op je te wachten. Ja, iedereen wacht. Het is enkel de vraag op wat voor manier je je tijd in de wachtrij opvult. Blijf je kalm op je plaats staan, je dagen uitzittend als een gevangene, of dans je je weg naar voren om lachend in de armen van de dood te vallen? Misschien zegt dat wel veel meer dan het feit dat we wachten. En misschien had ik nooit zo vroeg met die vraag in aanraking moeten komen…
Met een zucht legde ik mijn pen neer. Ik was nooit goed geweest in schrijven, maar toch was het mijn passie geworden. Het was mijn manier om niet verstrikt te raken in mijn wirwar van gedachtes en dat beviel me prima. Verveeld speelde ik wat met mijn vulpen, niet wetend hoe ik mijn hersenspinsels nu verder kon verwoorden. Wachten was jarenlang de kern van mijn leven geweest, zo lang dat ik er een panische gedachtegang aan overgehouden had en het ongemerkt misschien nog steeds wel de kern van mijn leven was. Ruw duwde ik mijn stoel naar achteren en stond op. Ik kon hen ook geen ongelijk geven. Bruusk greep ik mijn jas, die ik eerder op de avond achteloos op de oude sofa had neergegooid en vertrok uit mijn appartement, de frisse lucht in.
Al gauw bevond ik me in mijn favoriete café: een klein, sfeervol spotje aan een vrijwel uitgestorven straatje. Binnen was het echter alles behalve uitgestorven. Buiten de vaste stakkers (waaronder ikzelf) waren er ook nieuwelingen en het gebruikelijke uitschot. Ik wilde meteen naar mijn plekje in de hoek bij het raam lopen, maar zag toen tot mijn ergernis dat er al een groepje jongens zat. Ik plofte aan de bar neer en maakte mijn bordeauxrode das los, zodat deze achteloos om mijn nek hing. Met één hand woelde ik mijn korte, bruine haar weer in model, waarna ik mijn hoofd voor een ogenblik op mijn gevouwen handen liet rusten.
“Het gebruikelijke, Pep?” mompelde de slungelige jongen achter de bar. Ik keek hem even schattend aan, waardoor hij vlug wegkeek. Het was een verlegen, rustige en onzekere tiener, maar ik mocht hem graag, ondanks dat hij een stuk jonger was dan ik. Vermoeid knoopte ik de bovenkant van mijn jas los en bromde: “Doe maar wat sterkers.”
Langzaam ging er een wenkbrauw omhoog en ik snoof: “Zeg maar niets, Dan.” Het fijne van Daniël was dat hij dan ook daadwerkelijk niets zei en terwijl ik de alcohol een weg liet branden door mijn keel voelde ik hoe mijn gedachten zo verstrikt in elkaar raakten dat ik voor een moment geen heldere ideeën kon onderscheiden. Ik had net mijn derde drankje achterover geslagen toen ik zag dat mijn plaats bij het raam was vrijgekomen. Ik bedankte Daniël voor zijn aanwezigheid en begaf me naar de muurbanken in de hoek. De rugleuningen waren zo hoog dat ik als het ware beschut werd tegen de rommelige en schemerige sfeer van het cafeetje. Ik haalde mijn schrijfblok tevoorschijn en staarde een poosje naar buiten. Het miezerde zachtjes en de lantaarnpalen gaven een nu nog roze licht, terwijl de hemel steeds dieper in inkt werd gedompeld. Toen één van de lampen ineens op geel sprong schrok ik op uit mijn overpeinzingen en begon te schrijven.
Kleine handjes waren hoopvol, bijna krampachtig, om de ijzeren spijlen van het hek gesloten, maar ze weigerden koppig los te laten. De eigenaar van de handjes was een jongetje, niet ouder dan een jaar of tien, met kort bruin haar en een mager postuurtje. Zodra de les ten einde was gekomen was hij de grote poort door gerend naar het hek, waar hij nu stond te wachten met een gemengd gevoel van angst en verwachting. Zijn neus was zo ver mogelijk door de tralies geduwd, zodat hij een zo groot mogelijk zicht had op de weg. Het jongetje stelde zich voor hoe het zou zijn als ze hem kwamen halen. Hoe het zou zijn gered te worden van de bodem van de vijver, Fond de l’Etang, weg van de verschrikkelijke hoofdmeester Rachin, met de mensen mee die wel om hem gaven. Hoe graag zou hij weg vluchten van deze kille, vreugdeloze plaats… Hij durfde er al zijn hartslagen om te verwedden dat hij niets liever wilde dan dat, niets liever. Het jongetje rilde zichtbaar toen er een eenzame vogel floot en de wind kil en guur langs hem heen blies. Hij snoof even, liet de ijzeren spijl met één hand los en wreef langs zijn neus. Vervolgens nam hij zijn positie weer in, turend over het zandige wegdek. Daar bleef hij staan zoals hij er iedere zaterdag stond, uren achter elkaar, geduldig wachtend, vol verlangen, hoop, maar toch ook angstige gevoelens. Ieder die langs hem liep of hem slechts zag staan voelde medelijden, maar niemand kon het over zijn hart krijgen hem de koude, steenharde waarheid te vertellen…
Een vlek bijna zwarte inkt verspreidde zich donker en slurpend over mijn papier, terwijl ik met een brandend gevoel in mijn keel en ogen mijn pen van me af schoof. Medelijden! Woedend keek ik naar het papier, alsof het zijn schuld was dat ik hier nu in deze toestand zat. Met moeite wendde ik mijn blik af van de pijnlijke, loze woorden en keek weer naar buiten.
Op het moment dat mijn zicht zich een weg door de gevallen regendruppels op het raam had gebaand, gebeurde er iets wat mijn hart een slag deed overslaan en mijn leven voor altijd zou veranderen. Aan de overkant van de straat stond een meisje, jong en rein, met een zwarte jas die tot iets boven haar knieën kwam, en lichte krullen. Ze viel absoluut niet op in de grijze somberheid die over de stad heerste in deze koude zomerdagen, maar ik wist zeker dat ik haar niet over het hoofd zou kunnen zien. Je zou haar misschien nauwelijks kunnen onderscheiden van de donkere, betonnen muur achter haar, maar het was niet iets aan haar uiterlijk wat mijn aandacht trok. Haar blik was gericht op een punt ergens boven het café en door een vage glans in het licht van de lantaarn kruisten onze blikken elkaar. Ineens voelde ik een sterke fascinatie voor de onbekende persoon buiten en tegelijkertijd een paniekerig gevoel van angst. Het voelde als een soort connectie, alsof ik haar compleet begreep in dat ene, korte ogenblik van oogcontact. Voordat ik goed en wel besefte wat ik aan het doen was handelde mijn lichaam. Mijn hand bewoog zich naar het raam, strekte zich even uit over het koude, gladde oppervlak en liet zich toen weer op de tafel terug vallen, alsof hij zich van geen kwaad bewust was. Verbaasd keek het kind me aan en overdonderd keek ik terug. De zachte achtergrondmuziek die in het café werd gespeeld verstomde, de mensen verdwenen en voor een moment was er alleen een zij en ik. Ik en zij. Zo staarden we elkaar een poosje aan, tot ze de dunne draad van contact abrupt verbrak en ik met een smak terug belandde in deze harteloze wereld.
Het bonzende hart leek op te houden met kloppen. Voetenstappen galmden over leeglopende binnenplaats, die spoedig net zo leeg zou zijn als het jongetje. Hij wist dat het tijd was om te gaan, maar wilde niet. Wat als ze kwamen, net als hij weg was?
“Pépinot, kom!” Maar Pépinot wachtte slechts tot een grotere hand hem bij zijn arm pakte en hem nogal hardhandig bij het hek wegtrok. “Toe nou, het is etenstijd. Je wilt monsieur Rachin toch niet kwaad maken?” Het jongetje scheurde moeizaam zijn blik van de weg af en slofte met hangend hoofd achter de oudere jongen aan, teleurgesteld en verkleumd, zoals iedere zaterdag. Weer werd het wachten niet beloond, weer was er geen geluk voor de kleine Pépinot.
“Excusez-moi?”
Terwijl een zwakke traan over mijn wang liep keek ik van het raam weg, recht in de donkere ogen die me aan het huilen hadden gemaakt. Een warm gevoel verspreidde zich door mijn lichaam terwijl ik naar haar keek, het onwetende meisje van de overkant van de straat, die nu tegenover mij zat. Bescheiden sproetjes sierden haar bleke huid, haar contouren waren fijn en een klein wipneusje was vragend richting mij gericht. Een lok nat, goudblond haar was achter haar oor weggegleden en een bruin sjaaltje was bescheiden om haar hals gedrapeerd. Ik besefte dat ze verwachtte dat ik iets terug zei en daarom zei ik zachtjes: “Nee.” Het klonk net zo nietszeggend en leeg als het woord zelf, maar ik wist niet wat ik anders kon zeggen. Ik hoopte enkel dat ze het gevoel wat erachter verborgen zat op zou merken, zou begrijpen dat ik niet wilde dat ze me huilend zag. Langzaam bewoog ze haar hand naar mijn gezicht en veegde met haar duim de verloren traan van mijn wang. Haar huid was zacht. Het was onwerkelijk en ongelofelijk vreemd om de warmte van een vreemde te voelen, maar op dat moment besefte ik me dat ik haar niet als een vreemdeling zag. Het voelde zo ongelofelijk vertrouwd dat het bijna griezelig was en iets zei me dat zij zich net zo voelde. Ze keek me echter alleen maar gebiologeerd aan en stond toen op. Na een laatste doordringende blik liep ze weg, enkel een illusie achterlatend. Ik bleef zitten, verward en angstig. Wat deed ze? Waarom liep ze nu weg? Ik voelde de bekende, bittere smaak van teleurstelling opkomen, maar bleef koppig zitten wachten. Ze zou toch wel terugkomen? Waarom zou ze ineens weggaan? Moest ik haar achterna gaan? Maar wat als ze terugkwam net als ik weg was? Ineens voelde ik een steek bij mijn slaap en mijn hersenspinsels leken een hoogtepunt bereikt te hebben. Flarden van herinneringen, gedachtes en opvattingen schoten als een wirwar van agressieve wespen door elkaar en ik voelde hoe mijn vingers zich krampachtig om de tafelrand sloten.
“Je weet het echt niet, hè?”
Vragend keek Pépinot op naar de iets oudere jongen met wie hij de laatste tijd wel eens praatte en schudde toen nieuwsgierig zijn hoofd. Zijn haar wiegde zachtjes heen en weer terwijl hij zich af vroeg wat hij niet wist. Pierre Morhange boog zich voorover en mompelde: “Eigenlijk mag ik het je niet vertellen, maar ik vind dat je het recht hebt het te weten.” Zijn stem klonk zangerig en de kleine Pépinot had er altijd graag naar geluisterd, zo ook nu. Zijn hart bonsde in zijn keel. Wat zou de jongen met de stem van een nachtegaal hem vertellen? Wat was er zo geheim? Voorzichtig keek hij opzij. Hij wist stiekem niet of hij het wilde weten, maar zijn nieuwsgierigheid was sterker dan de angst voor straf en dus spoorde hij Pierre aan door te praten. Maar op het moment dat deze zijn lippen van elkaar deed en de klanken van zijn prachtige stem de ruimte in zond, wist Pépinot dat hij nooit meer op dezelfde manier naar de stem kon luisteren. De zachte melodie klonk ineens als een boosaardige onweerswolk en iedere zuivere nooit was plotseling vals en sneed in hem, vlijmscherp en grote littekens achterlatend…
De pijn in mijn lip deed mijn ogen (waarvan ik niet wist dat ik ze gesloten had) met een ruk weer openen. Het nutteloze wachten. Nu ik mijn ogen had geopend zag ik plotseling iets wat mijn hart voor de tweede keer deze avond sneller deed slaan. Haar bruine sjaaltje. Compleet in stilte lag het daar, simpelweg te liggen, tegenover mij. Voor een moment dacht ik dat ze het wel weer zou komen ophalen, maar al gauw besefte ik dat dat slechts valse hoop was. Wachten of handelen? Ik voelde hoe ik paniekerig werd, bang bij het gevoel zo een cruciale keuze te moeten maken. Ik wist het niet, durfde niet de keuze te maken. Wachten of handelen, hoe kon je weten wat het juiste was? Ik dacht aan het jonge meisje, het kind waarin iets school wat onverwachts en onbegrijpelijk genoeg zoveel bij me teweeg had gebracht. Maakte het wat uit wat juist was? Misschien moest ik voor een keertje zelf de vraag beantwoorden; moest ik voor één keer in mijn leven handelen in plaats van eindeloos passief zijn. Het enige waar je passief op kunt wachten is de dood. Nadat ik het bloed van mijn lip had geveegd en mezelf bij elkaar had geraapt stond ik op, griste de sjaal van de tafel en haastte me naar de deur. Ik hoorde hoe Daniël me nog iets nariep, maar sloeg er geen achting op. Zo snel mijn benen me konden dragen rende ik van het café weg, achter haar aan. Ik zou niet blijven wachten, ik zou niet twee keer dezelfde fout maken.
“Ze komen je niet halen, Pépinot. Je ouders zijn dood.”
Warme, zoute tranen van spanning, angst en verdriet gleden over mijn wangen en vermengden zich met de regen die op me neer gutste. Op de automatische piloot en puur op gevoel bewoog mijn lichaam zich achter de inmiddels al wazige schaduw in de verte aan. Mijn lichaam rende zo snel het kon, terwijl mijn geest als een vierkant stuk lood erachteraan rolde. Steeds dichterbij kwam ik, tot ik de contouren van het meisje scherper kon zien en ze verdween in een massief, groot gebouw. Even twijfelde ik, maar toen volgde ik haar de kerk in.
Binnen was het donker en een muffige geur van vergane warmte drong mijn lichaam binnen. Het was niet nodig haar naam te roepen, omdat haar voetstappen nagalmden in de grote ruimte, waardoor ik wist waar ik kijken moest en haar kon onderscheiden in het licht van enkele kaarsen. Ze opende een deur en ik liep achter haar, de klokkentoren in. Treden schoten onder me door, maar mijn lichaam kon niet ophouden haar te volgen. Eenmaal boven vond ik haar opnieuw en herontdekte ik onze connectie. Ze stond daar rustig en glimlachte een gelukzalige glimlach toen ze me zag. De tijd leek stil te staan in het moment dat we daar stonden, tegenover elkaar bij de grote, koperen kerkklok. Ik wist niet wat ik moest doen en stond daar maar, te kijken naar het meisje wat zo anders was als ik vroeger, maar waarmee ik toch meer gelijkenis voelde dan met wie dan ook.
“Je – je sjaal.” Het klonk zacht en nog suffer dan in mijn hoofd, maar ze glimlachte nog breder, deed een paar pasjes naar voren en nam de dunne lap stof van me over. Ze zei niets, bleef me simpelweg aankijken met dat lachje. Er viel niets te horen buiten onze ademhaling en de ruis van regen om, die nog steeds neerviel buiten de stenen muren en langs de openingen in de toren. Minuten verstreken en toen de regen al een poosje was gestopt, voelde ik hoe de kou van de natte kleren in me begon te trekken. Na wat wel een eeuwigheid leek verbrak ze de stilte met een warme stem, melodieus en helder als dat van een nachtegaal. Als dat van Pierre Morhange. “Wie ben jij?”
Eventjes was ik uit het veld geslagen door haar vraag. Ik weet niet wat ik verwacht had te horen op het moment dat ze haar mond opende, maar dit zeer zeker niet. Toch voelde het alsof het belangrijk was, van cruciaal belang dat ik dit beantwoordde. Hoe langer ik er over nadacht, hoe zekerder ik er van werd en hoe logischer de vraag leek. Ik voelde hoe een zekere spanning van me afgleed toen ik op mijn knieën neerzakte, haar diep in de ogen keek en met heldere stem zei: “Pépinot. Ik ben Pépinot en ik ben gestopt met wachten.”
De tranen schenen op te lossen en voor het eerst in mijn leven leek ik werkelijk te ademen. De lucht smaakte koel en zuiverend en zelfs de kou deerde me niet langer. Ik voelde hoe de spanning uit mijn aderen verdween, besefte hoe nieuw dit gevoel voor me was en voelde hoe mijn ziel van lood in zijde veranderde. Hoe zwaar had de last van herinneringen op mijn schouders gelegen en hoe vreemd was het dat dit kind het had laten oplossen zonder het te weten. Ik wist niet wat het was, maar ze maakte meer bij me los dan wie dan ook en ik wist op dat moment zeker dat ze de meest bijzondere persoon was die ik ooit had ontmoet, al was ze nauwelijks volwassen.
Pépinot besefte op dat moment dat hij niet meer hoefde te wachten, simpelweg omdat hij het nooit had gehoeven. Dat hij eigenlijk al gestopt was met het wachten op de dag dat hij hoorde dat hij wees was en met monsieur Mathieu was meegegaan, weg van de bodem van de vijver.
Terwijl de mistroostige nacht omsloeg in een warme zomeravond voelde ik me gelukkiger en levendiger dan ik me ooit had gevoeld, en met een vreemd gevoel van euforie keek ik op naar de kerkklokken, die het begin van mijn nieuwe leven inluidden. Of misschien verbeeldde ik me dat wel.
~
Spin (een web van leugens) 11/2007
Met een glimlach op mijn gezicht keek ik naar haar. Naar hoe ze geïntrigeerd de bewegende beelden op het scherm voor ons volgde, hoe het blauwige licht haar fijne contouren mooi deed uitkomen, naar hoe haar blonde haar losjes over haar schouders hing en naar hoe ze af en toe een kleine beweging maakte met haar mond, al was het maar om haar lippen vochtig te houden. De film beviel haar en dat vond ik fijn. Ik had ruim een half uur in de videotheek doorgebracht om een geschikte film voor haar te vinden, een film die ze graag zou zien. Ik wilde niet zeggen dat alleen het beste goed genoeg voor haar was, want verwend was ze niet, maar ik wilde haar wel het beste geven. Haar borst ging langzaam op en neer en een aangename kriebel verspreidde zich door mijn buik. Blijkbaar voelde ze dat ik naar haar keek, want ineens keerde ze haar hoofd. Haar bruine ogen keken me aan, groot door het weinige licht in de kamer.
“Wat is er?” Een glimlach speelde over haar lichtroze lippen en de reeks vlinders in mijn maag lieten me naar haar toe buigen. Voorzichtig, alsof ik haar tere huid zou breken, drukte ik mijn lippen op de hare. Heel zachtjes, maar met alle liefde die ik in me had. Haar glimlach veranderde in een grijns en ze kroop tegen me aan. Het was vreemd: ik had nog nooit zoiets gevoeld voor iemand, niet in zo’n sterke mate. Het was niets voor mij om openlijk over gevoelens te praten, maar toch voelde ik de drang om haar bewust te maken van mijn vlinders, die met steeds snellere stoten door mijn lichaam vlogen. Net toen ik mijn mond wilde openen voelde ik haar warmte over mijn hals gaan. Al snel gaf ze me een kus, die ik gretig beantwoordde. Ik was niet alleen verliefd, ik was tevens verslaafd aan haar lichaam en haar geur. Terwijl haar hand zich een weg vond onder mijn shirt streek ik een pluk haar achter haar oor en zoende haar nog eens. Misschien had ik toch niet zo veel moeite hoeven doen voor de film. “Georg! Kom snel!”
Zo snel mijn voeten me konden dragen holde ik de trap op, met twee treden tegelijk. “Lena, wat –” begon ik hijgend, maar nog voor ik mijn zin af kon maken zag ik wat er aan de hand was en ik grijnsde. “Is dat alles?”
“Is dat alles?!” riep ze met een gilletje, “het is een spin!”
“Daarom.” Met een achteloos gebaar veegde ik de spin weg en liet hem door het raampje naar buiten vallen. “Zo. Moest je daar nu zo bang voor zijn?”
Met een verontwaardigd zuchtje kwam ze de douchecabine uit en snoof: “Spinnen moet je niet onderschatten hoor. Het zijn de meest sluwe jagers die er zijn.”
Met een lach keek ik in de diepbruine ogen van het meisje wie ik liefhad, maar die stonden bloedserieus. Haar haren, die donker kleurden door het leidingwater, hingen in natte slierten langs haar gezicht en een witte handdoek zat liefdevol om haar mooie lichaam gewikkeld. De vertrouwde vlaag vlinders fladderde opstandig door mijn buik, wat me zoals altijd dichter tot haar bracht. Met mijn lippen bij haar oor fluisterde ik: “Hoe kom je daar nu weer bij?”
Tot mijn verbazing draaide ze van me weg en meed daarmee mijn vragende blik.
“Voor zulke kleine beesten hebben ze ongelofelijk sterke wapens. Eenmaal gevangen in een web kun je geen kant meer uit.” Haar stem trilde.
Ik begreep haar niet. Troostend reikte mijn arm naar haar uit in de hoop haar vreemde gedrag en plotselinge angst weg te nemen, maar met een droge snik rende ze de badkamer uit. Ik bleef beduusd achter, niet wetend wat te denken: was ze nu echt zo bang voor een spin?
Een zure, bittere smaak vond zijn weg naar boven. Ik voelde hoe mijn complete maaginhoud met golven naar buiten kwam, een leegte achterlatend. Talloze vragen raasden door mijn hoofd, ik kon de waarheid nauwelijks omvatten. Het zou me nooit zoveel uitgemaakt hebben, maar waarom nu juist zíj? Waarom híj? Had ze daarom zo vreemd gedaan? Het tijdschrift viel achteloos op de grond; ik schonk er geen verdere aandacht aan. Ik hoefde het niet nog een keer te zien om het tot me te laten doordringen: de foto van Lena en Tom was duidelijk genoeg geweest en stond haarscherp op mijn netvlies gebrand. Met de rug van mijn hand veegde ik wat speeksel uit mijn mondhoek en moeizaam ging ik rechtop staan. Tom en Lena. Míjn Lena. Met één van mijn beste vrienden. Hoezeer ik het ook probeerde, hun verstrengelde lichamen kreeg ik niet uit mijn hoofd. Ik begreep er niets van, wilde het niet begrijpen. Stukje bij beetje begonnen de puzzelstukjes te vallen, maar nog bleef het me vreemd. Wat had Tom bezield haar van mij af te pakken? Betekende onze vriendschap dan niets voor hem? Voelde Lena dan niets voor mij? Wie dacht Tom eigenlijk wel niet dat hij was? Hoe kón hij! Mijn Lena, míjn – een droge snik kwam over mijn lippen en trillend balde ik mijn vuisten. Ik voelde van alles door elkaar: verdriet, woede, maar vooral onbegrip. Ik opende mijn ogen en keek naar een dikke kruisspin die een web had geweven tussen de muur en de container in de steeg waarin ik me bevond. Bang voor een spin… Met een troosteloos gebaar griste ik het tijdschrift van de grond en met grote passen liep ik weg, geen acht slaand op wat er verder nog zou gebeuren. Ik dacht aan haar woorden, de laatste keer dat ik haar zag. Eenmaal gevangen in een web kun je geen kant meer op. En dat was precies hoe ik me nu voelde.
Met een klap gooide ik de deur open. Ik zag hoe Gustav geschrokken opkeek van een puzzelboekje en Bill me een verbaasde blik toewierp, terwijl hij zijn nagellakpotje dichtdeed. Tom was nergens te bekennen.
“Waar is hij,” snoof ik. Ik moest moeite doen om niet te schreeuwen en tegelijkertijd in huilen uit te barsten.
“Wie –” begon Bill, maar ik onderbrak hem nog voor hij zijn zin had afgemaakt.
“Jouw godvergeten broer, verdomme!” Mijn stem klonk niet zoals hij hoorde te zijn, hij was hoger en scheller dan normaal. Maar nu was ook niet normaal, het was alles behalve dat. De wereld leek de foute kant uit te draaien, al het mooie leek grijs en grauw. Ik had de liefde van mijn leven verloren, maar nog erger was het dat ik verraden was door één van mijn beste vrienden. Pas nu besefte ik ten volle wat haar woorden betekend hadden. Mijn vlinders zaten vast in het web.
“Tom? Wat moet je met Tom?” zei Bill. Hij leek zich van geen kwaad bewust, maar ik wist dat Tom en hij nooit geheimen voor elkaar hadden. Het was pas toen dat ik me bedacht dat ook hij ervan geweten moest hebben en het was pas toen dat ik echt knapte. Het was alsof er een groot monster in me ontwaakte, alsof er een witheet gif door mijn aderen spoot. Ik voelde hoe mijn zelfbeheersing me ontglipte als droog zand wat door je handen glijdt.
“Alsof je dat gódverdomme niet weet!” schreeuwde ik woedend, “waar is hij, de schijnheilige verrader?!” Ik voelde hoe ik een onzichtbare grens overtrad, maar het kon me niet schelen. Met een wild gebaar smeet ik de Bravo op tafel en gooide daarmee een glas om, wat op de grond aan stukken viel. Het maakte me niet uit: ik was al veel eerder in stukken gebroken. Vanuit mijn ooghoek zag ik hoe Gustav in elkaar kromp, maar Bill leek juist omhoog te rijzen.
“Noem mijn broer niet zo,” fluisterde hij dreigend, maar dat maakte me enkel bozer. Ik moest Tom niet zo noemen? En Tom dan? Mocht hij mij wel misbruiken, mij wel voorliegen? Het woedende beest in me werd groter en op het moment dat ik mijn vuist ophief klonk er een hernieuwde klap. Met een ruk draaide ik me om, kijkend naar de plek waar de persoon stond die ik voor het eerst in mijn leven intens haatte. Toms blik ging geschrokken van mij naar Bill, van Bill naar Gustav en vervolgens naar de tafel met het tijdschrift. Zodra hij de Bravo met het opschrift ‘TOM KAULITZ: ENDLICH VERLIEBT?’ zag leek hij alles te begrijpen, maar zijn uitdrukking werd enkel angstiger.
“Georg, ik – het…” Zijn stem stierf hakkelend weg. Waar ik hem zojuist nog de grond in wilde slaan, hem net zo veel pijn wilde doen als hij mij had gedaan, mijn woede en verdriet op hem wilde afreageren met geweld, zakte ik nu uitgeput in elkaar, niet wetend wat te doen. Mijn lichaam hield mijn verdriet niet langer, het was alsof een oceaan van blauwe schaduwen op me neer regende en voor ik het wist zat ik daar, huilend om het verlies van zowel mijn vriend als mijn vriendin. Ik kon me de laatste keer dat ik huilde, de laatste keer dat ik écht huilde niet meer herinneren en aan de geschokte uitdrukking van de jongens te zien zij ook niet. Met gierende uithalen zat ik daar, op de grond, verwensingen mompelend naar zowel Tom als mezelf. Waarom was ik zo blind geweest? Het was niet eerlijk. Al die tijd verkeerde ik in de illusie dat Tom een vriend van me was; dat Tokio Hotel een hechte vriendengroep vormde. Dat ik iets betekende voor zowel hen als voor Lena. Had ik het mis? Het voelde alsof ik verstrikt was geraakt in een web van leugens maar het nu pas zelf zag. Ik merkte dat Tom nog steeds verstijfd voor me stond, blijkbaar niet in staat ook maar iets te zeggen of te doen. Bill schoof gespannen met zijn voeten en Gustav was merkwaardig stil. Er heerste een drukkende, pijnlijke stilte, alsof er iemand dood was. Ik besefte me dat dat niet eens zo ver van de waarheid af lag: onze vriendschap was zojuist gestorven, in duizenden stukken uiteen gevallen. Het was alleen de vraag in wat voor sfeer de begrafenis zou plaatsvinden. Dat idee brak me nog meer dan de wetenschap dat ik verraden was, dat Lena niet zo veel van mij hield als ik van haar. Ineens kon ik de stilte niet meer aan. Iemand moest iets zeggen en wel heel snel. Hadden ze dan nergens antwoorden voor? Waarom had niemand me iets gezegd? Moeizaam draaide ik mijn hoofd naar Gustav.
“Wist jij…” begon ik met rauwe stem, al wilde ik het antwoord liever niet weten. Zijn lichaamshouding zei me echter genoeg. Zelfs hij wist het, de trouwste van ons allen, zelfs hij had me in het duister laten tasten. Al die tijd was ik voorgelogen en het leek niemand wat te kunnen schelen. Niemand had moeite gedaan me iets te vertellen en ineens zag ik een web voor me met een hulpeloos gevangen vlinder. Het was precies hoe ik me voelde, gevangen in de klevende draden, met Tom als grote, hongerige spin in het midden.
“Sorry,” mompelde deze. Ondanks zijn verloren houding en de gepijnigde blik in zijn ogen voelde ik geen medelijden.
“Nee,” zei ik bruusk. Mijn stem klonk angstaanjagend kil en het verbaasde me dat ik zo rustig wist te blijven. Met al mijn inspanning wist ik op te staan, waarna ik de jongens één voor één aan keek. De mensen die ik als mijn vrienden had gezien. “Het spijt mij.”
En na dat gezegd te hebben verliet ik de kamer, wetend dat ik hiermee het fragiele web wat ik onze vriendschap noemde stukbrak.
Eenmaal gevangen in een web van leugens kun je geen kant meer op…
~
Wens (verdronken in koud licht) 10/2007
– Wolkjes condens vermengen zich met het warme licht van de fakkels langs de grachten. Rijen mensen, jong en oud, staan langs diepgevroren wateren in het koude, winterse Friesland. Dik verpakt in wollen wanten, mutsen en sjaals staan de toeschouwers bij elkaar gepakt. Warme chocolademelk is evenals de snert één van de bestandsdelen die niet mag ontbreken aan een spektakel als deze. Ieder jaar weer kijkt men er naar uit: de spanning, maar vooral de sfeer van de Elfstedentocht is tijdloos.
Kun je opgevuld worden met leegte? Kun je bestaan uit niets? Ik dacht dat het kon op het moment dat het voertuig mij raakte. Dacht dat het kon op het moment dat ik je warmte moest missen, die bewuste dag. Ik was zo onwetend, huiverend bij het idee dat we ons nieuwe jaar niet samen konden vieren. Enkel die dag. Ik wenste dat ik de tijd terug kon draaien naar dat moment, het moment dat ik je voor even moest missen. Voor even.
Al van jongs af aan was ik dol op de Elfstedentocht. Als jongetje al ging ik met mijn grootouders kijken en iedere keer weer vond ik het geweldig. Deels om de sfeer, de spanning, de gezelligheid. Maar vooral om haar. Natuurlijk, de reden dat ik al bij zonsopgang langs de met ijs begeven grachten stond was het schaatsen. Maar stiekem vond ik het nog leuker dat zij er was. Als jongetje al. Ze was niet zoals al die andere meisjes. Zij was anders en paste bij mij. Door haar donkere ogen keek iemand die mijn hart vanaf het eerste moment had betoverd, maar datgene was niet wederzijds, wist ik al snel. Achter de zwartbruine lokken school iemand die ik vanaf het begin lief had, iemand die dat gevoel niet met mij deelde. We waren gewoon vriendjes, dat zei ze altijd. En ze had gelijk.
Samen stonden we op de koudste winterochtenden de schaatsers toe te roepen, gilden onze kleine longetjes uit ons lijf. Dat de schaatsers ons geroep nauwelijks zouden horen kwam geen moment in onze zorgeloze hoofden op.
Jaren later was er zo veel veranderd, maar de Elfstedentocht bleef er altijd, als een rots die altijd boven de golven uit zou steken. Onze Tocht. Wat er ook gebeurd was in een jaar, bij de Elfstedentocht werd alles vergeten en waren we weer samen, zoals het hoorde te zijn in mooiere tijden. Het was voor ons ieder jaar weer een nieuwe start. Misschien dat we het daarom zo lang hebben volgehouden, samen. Misschien werd onze band daarom wel zo sterk.
“Wil je weten wat ik gewenst heb, Elmar?”
Ik had geantwoord dat ik het niet wilde weten, omdat de wens dan niet uit zou komen, maar ik kon de nieuwsgierigheid in mijn stem niet verbergen. Waarschijnlijk had ze het toch wel opgemerkt. Ze wilde het perse vertellen en omdat ze jarig was kon ik niet anders dan daarmee instemmen.
“Later, als ik groot ben, schaats ik de Elfstedentocht.”
Zo puur, zo simpel was die wens. Ik knikte, begrijpend en eenvoudig: schaatsen was haar leven en dat hoorde zo te zijn. Onze band werd hechter, ik liefkoosde haar ieder moment dat ik bij haar was en ieder moment ik niet bij haar was. Ik wist echter dat zij niet meer voor mij zou voelen dan vriendschap en dat was dan ook de reden dat ik het gevoel alleen toeliet in mijn dromen. Ik had het recht niet onze band te verbreken en dus liet ik dat.
Wat moeilijker voor me was waren de golven in onze vriendschap, soms. Ik vond wel eens dat ze me vergat, wanneer ze weer eens bedolven werd onder al haar schaatstrainingen, wedstrijden en recordschema’s, maar zij vond dat ik het haar niet moest ontnemen. Haar ogen, waarin ik mezelf tot in het oneindige kon laten drijven, lieten me telkens weer overstag gaan waardoor ik bijna altijd mijn excuses aanbood. Wanneer ik dat niet deed, deed ze of het haar niet kon schelen, maar ik zag aan haar dat het pijn deed. Uiteindelijk gaf ik weer toe. Ik hield te veel van haar om haar stuk te zien gaan.
Maar ieder levensverhaal kent een dieptepunt: zo ook de hare – en daarmee de mijne. Ik weet niet hoe lang het heeft geduurd voordat we er bovenop kwamen. Weken, maanden, jaren? Waarschijnlijk. Haar ongeluk had nooit mogen plaatsvinden, nooit, het was niet wat ze verdiende. Al haar harde werken was in één klap tot stof vergaan toen de tractor niet op tijd tot stilstand wist te komen. Steeds weer deed het pijn erover te praten; eraan te denken, zowel voor haar als voor mij. Ja, het was ons dieptepunt. Ik steunde haar zo goed ik kon, zelfs al zag ze het lange tijd niet meer zitten. Ze moest leren leven zonder onderbeen en dat was iets wat meer kracht nodig had dan zij in zich had, dacht ze. Ik wist dat het niet zo was, het was enkel een lange, zware weg om haar daarvan te overtuigen.
Het was in die tijd dat ik haar verloor en slechts in kleine stukjes kwam ze terug. De Elfstedentocht zou ze echter nooit kunnen rijden. Niet zelf.
Dankbaar ademde ik de koude, winterse ochtendlucht in. Niet zelf. Dat was dan ook de reden dat ik anderhalf jaar lang in het geheim tot het uiterste had getraind om haar dit te geven, op de dag van ons nieuwe jaar. Ik had er zo lang naar toe gewerkt dat het idee dat het spoedig voorbij zou zijn me angst inboezemde, maar tegelijkertijd keek ik uit naar haar reactie. Ze zou het prachtig vinden, dat wist ik zeker. Ik zou mijn liefde voor haar tonen, al zou die liefde nooit wederzijds zijn. Dat had ze me vaak genoeg laten weten.
Snel ging ik langs de lichtjes die me vroeger zo’n beschermend gevoel gaven, de fakkels van de toeschouwers van de Elfstedentocht. Lichtjes die leken te zweven maar nu niet meer waren dan een flits. Het gaf me een heerlijk gevoel, een gevoel van geborgenheid, heldenmoed en veiligheid. Mensen juichten voor me terwijl ik voorbij flitste, een nieuwe generatie kinderen droomde ervan te gaan waar ik nu ging. Vliegend over het ijs, over grachten langs oude pakhuizen en kleine bakkerijen, die gehuld waren in een bakstenen jasje met schuine daken en versierde gevels. Maar ik deed dit niet voor mezelf, ik deed het voor haar.
Langzaam maar zeker begon de zon zich te laten zien. Het donker maakte plaats voor een koele, paarse kleur, maar het geroep, de fakkels en daarbij de mensen bleven. Terwijl de kou in mijn gezicht sloeg schaatste ik verder. De schemer probeerde me op te slokken maar ik was te snel voor hem. Niets kon mij stoppen haar droom na te leven en de Elfstedentocht uit te rijden. Mijn eerste stempels had ik binnen; haar wens was onderweg naar de sterren, klaar om geleefd te worden.
Mijn schaatsen sneden sissend door het ijs. Uit mijn ooghoek zag ik mensen voor hun warme woningen staan, enthousiast roepend en fluitend. Ik schoot onder bruggen door die zich scherp aftekenden tegen de inmiddels steeds lichter wordende lucht. IJs spatte voor me op en ik voelde hoe ik steeds verder van de groep waarin ik de vroege ochtend begonnen was vandaan raakte. Vrij voelde ik me en steeds sneller leken mijn benen me mee te dragen. Gejoel en geschreeuw leek langs me heen te vliegen; als een vis in het water bewoog ik me over het ijs. Zwaar ademend vervolgde ik mijn weg, maar moe leek ik niet te worden. Het gevoel dat ik dit deed voor mijn liefde gaf me meer kracht dan iemand ooit leek te kunnen hebben. De huizen veranderden in grasvelden met enkel landweggetjes, waar zomers koeien graasden en nu mensen tezamen naar het spektakel van het jaar keken.
Dat was waar ik haar zag. O zo schoon stond ze daar, op de plek waar ze haar kans op naleving van een droom had verloren, precies zoals ik haar had gevraagd. Ik was zo trots op haar dat mijn wangen leken te gloeien, ondanks de kou. Ze durfde te gaan naar de plaats waar haar wens in stukken was gebroken. Naar de plaats waar ik haar wens zou lijmen en aan haar terug zou geven. Haar donkere krullen deinden zachtjes mee op de wind terwijl ze daar stond, steunend op haar sterke lichaamshelft. Haar beige rok wapperde om haar bovenbenen terwijl haar rechteronderbeen gesierd werd door een felgekleurde kous. Ik kon wel huilen van geluk toen ik haar daar zag staan. Toen ze me zag veranderde haar gezichtsuitdrukking in iets wat haar zo mogelijk nog mooier maakte: stralend als de zon lachte ze. Ik minderde vaart. Ik wilde nu naar haar toe gaan, haar in mijn armen nemen en fluisteren dat dit haar wens was, net zoals zij mij diezelfde wens jaren geleden had toegefluisterd.
Net op het moment dat ik af wilde zetten om dat ook daadwerkelijk te gaan doen, hoorde ik iets wat mijn hart zo koud maakte als het gene waar het geluid weg kwam. Een diepe grom kwam onder me vandaan. Geschokt voelde ik hoe ik een slag miste, maar belangrijker was de witte lijn die zich onder mijn voeten voordeed. Ik hoorde een diepe, tergend lange kraak en voelde hoe ik steeds onstabieler op mijn schaatsen leek te staan. Vaag drong tot me door wat er gebeurde, maar mijn hersenen leken het contact met mijn lichaam verloren te zijn. Ik was gestopt met bewegen, mijn uitdrukkingen gespannen, maar niet in staat te veranderen. Ik keek enkel geschokt naar haar.
Plotseling hoorde ik een gil vanaf de wal. Het was haar gil die me op deed schrikken uit mijn verlamming. Met grote ogen keek ik haar aan, terwijl het blauwwitte natuurijs had plaatsgemaakt voor een zwart gat. Het laatste wat ik zag was haar schoonheid, liefde en angst en nog voor ik om hulp kon roepen voelde ik hoe een onbeschrijfelijke koude me opslokte. Overal waar ik keek was het donker en ik voelde niets anders dan de vrieskou die zich binnen enkele luttele seconden over iedere vezel van mijn nietsvermoedende lichaam had verspreid. Ik wilde mezelf naar boven brengen, terug naar haar en het licht, weg van deze beklemmende duisternis, maar mijn lichaam staakte. Moeizaam bewoog ik mijn benen, maar ik voelde hoe zij protesteerden, verzurend en bevroren. Ogenblikkelijk sloeg de paniek toe. Ik begreep niet wat er gebeurde, maar begreep wel dat ik naar boven moest zien te komen. Naar haar toe. Met mijn ogen tot spleetjes geknepen gebruikte ik al mijn kracht om naar boven te zwemmen. Ik voelde echter hoe ik steeds verder weg zakte. Vaag hoorde ik gegrom en gekraak; deze keer niet onder me, maar boven me. Ik voelde hoe buiten mijn ledematen om de pijn doordrong tot mijn organen en wild van angst bewoog ik mijn armen op en neer. Ik moest haar zien, ik kon haar niet kwijtraken. Niet alweer.
Ik bemerkte mijn paarse handen niet meer en langzaam aan voelde ik de verdovende werking van pijnlijke kou, zuurstofgebrek en angst. Ik hoorde stemmen waarvan ik niet wist of ze er echt waren of niet, zag mijn liefde haar arm uitreiken, zag haar lachen en huilen tegelijk en naar me roepen, maar ik kon haar stem niet onderscheiden van het overige geschreeuw. Ik raakte haar weer kwijt, maar deze keer zou ze niet terugkomen.
Je kunt worden opgevuld met water, ijskoud water. Dat is het gene wat jou heeft bevroren tot in een eindeloze slaap. Ik miste je, mis je nog steeds. Met jou is een deel van mij heengegaan. Ik hoop dat je het veilig bij je bewaart, nu ik het kwijt ben. Ik dacht dat ik een deel van mezelf was kwijtgeraakt met het ongeluk, maar ik was zo onwetend. Nu jij weg bent, mijn liefde, weet ik dat ik nooit meer een geheel zal zijn. Niet tot de dag dat mijn wens is uitgekomen.
Mijn wens om weer samen met jou te zijn.
~
Doodstil 09/2007
“We moeten praten.”
Het kleine, fragiele figuurtje keek op. Ze was gehuld in een grijsgroene kap met een net zo grijsgroene mantel zodat ze nauwelijks op viel, maar op dit moment was alle aandacht op haar gericht. Ze rilde en ademde onregelmatig, al was dat voor gewone stervelingen niet te merken. Misschien zou zij spoedig ook zo zijn – stervende. Haar spitse oren kwamen bijna onder de kap vandaan, net als de rode haren die met plukken om haar gezicht heen zwierven. Haar blote voeten waren bijna helderwit zo schoon, al liep ze nooit op iets anders. Haar tengere postuur was gevormd tot een klein en in elkaar gebogen lichtje. Ze had haar knieën opgetrokken en haar dunne armpjes er omheen geslagen. Het gaf haar een nederig overkomen, maar desondanks leek ze trots en wijs. Haar kleding leek op te gaan in de omgeving die bestond uit bomen met bronzen bladeren en zilveren stammen, met ruisende wind en stromende wateren. Zijzelf leek te stralen in het schemerduister. Toch voelde ze een soort angst en ze wist niet hoe lang het stralen nog zou duren; hoelang zij nog wakend kon dromen en zo licht kon lopen dat het bijna vliegen genoemd zou kunnen worden. Het Elfje slikte en verplaatste zichzelf met haar gedachten naar de Aarde.
“Zoals U gewenst, Vrouwe.”
Haar stem was kalm en viel licht. Ze was jong noch oud, maar bezat tegelijkertijd meer kennis dan wie dan ook in het Aardse Rijk. Ze voelde wat er ging komen en wist exact hoeveel er vanaf hing.
Een trillende zucht ontsnapte haar, maar zij kon de spanning niet van zich afzetten. Alles wat ooit zo prachtig en vredig had geleken scheen haar nu boosaardig toe te lachen. De onzekerheid was moordend, zelfs voor een Elf wie sterfelijkheid vreemd was. Zij verlangde terug naar het groene gras wat enkele ogenblikken geleden nog kriebelde tussen haar tenen, naar de altijd warme zon die haar blanke huid op ieder ogenblik van de dag verwarmde, naar de smaak van helder water uit de gouden bron. Naar de vrijheid van het jong zijn. Balancerend op het randje van de afgrond wachtte ze op de gevreesde vraag waarvan zij wist dat ze hem niet kon ontlopen. Ze wilde zich vastgrijpen aan de richel, maar tegelijkertijd wilde ze zich laten vallen zonder ooit neer te komen op de harde, koude bodem. De woorden kwamen harder dan die grond.
“Papa zegt dat jij niet bestaat. Is dat waar?”
Moeizaam kromp het Elfje ineen. Het waren de woorden die zij het minst van alles uit de mond van het nog zo jonge meisje wilde horen, woorden die op haar inhakten als een bijl in levend hout. Het maakte diepe kerven en het was nog maar de vraag of het ooit zou helen.
Ze wilde gillen, roepen dat de Vrouwe moest geloven, dat zij niet aan haar moest twijfelen. Ze kon het niet. Ze wilde Elfenzand strooien ten bewijs, wilde de fantasie tekenen als een regenboog in helderblauwe lucht, wilde de wijsheid uit haar geërfde herinneringen tonen en het kind haar geloof geven, maar ze kon het niet. Als ze dat deed was ze compleet verloren: nu had ze nog een kans, al was die niet groter dan een tamme kastanje. Terwijl ze de pijnscheut in haar borst negeerde antwoordde zij:
“Zeg mij, Vrouwe, wat gelooft ge zelf?”
Het meisje leek diep na te denken. De Elf was stiekem doodsbang voor het antwoord, letterlijk doodsbang. Het was voor haar het verschil tussen het eeuwige leven en een teisterende slaap zonder einde. Het betekende voor haar alles, al was haar eigen belang hierin niet het voornaamste. De kinderlijke, bruine ogen keken peinzend naar de Elf, waarbij er een blonde lok voor haar met sproeten bedekte gezichtje gleed. Het kind twijfelde. Zou ze geloven in het fabelfiguur wat nu voor haar zat? Zou ze toegeven aan het kleine, maar o zo mooie Elfje met amberkleurige ogen en rood haar, gehuld in grijsgroene lappen? Geloven in een sprookjesachtig leven? Bestond er zoiets puurs en reins als een Elf? Ze wist het niet en wilde geen uitspraak doen die niet in overeenstemming kwam met de waarheid: ze mocht niet liegen van papa. Van papa die zei dat sprookjes niet bestonden. Haar wangen kleurden rood. Ze wilde de mooie Elf niet kwetsen, maar had papa niet altijd gelijk? Ze zuchtte en wreef met haar mollige handjes in haar ogen, die nog maar zes jaar van het Aardse Leven hadden waargenomen.
“Ik weet het niet zo goed.”
Het Elfje keek haar doordringend aan. Haar ogen spraken van eeuwenlange wijsheid al was zijzelf nog maar net de jeugd ontgroeid, maar daarnaast zonden ze nog iets anders uit: wanhoop. Zij smeekten het kind onbewust om te geloven in wat ze zag. Voor haarzelf en de Sprookjeswereld, maar vooral voor het meisje. Zou die kiezen voor de fantasie en het geluk? Zou zij de zoete maar troebele honing proeven, of zou ze toch een hap nemen van de mooi uitziende appel, die zo verraderlijk giftig was? De wijze Elf zag hoe de lippen van het meisje langzaam van elkaar afgingen en beging toen de grootste fout van haar eeuwigdurende leven.
“Zwijg, zegt ge niets! Geef uw antwoord slechts als ge er zo zeker van bent als gras groen en rozen rood, bessen zuur en aardbeien zoet zijn.”
Stilte zong toen het kind haar woorden inslikte en bewaarde in een lade van haar hart. Zij zou de sleutel goed verstoppen en zwijgen; haar antwoord zorgvuldig overwegen, maar voor ze de honing proefde zou ze een hap nemen van de appel. Zoiets moois kon je niet onbetast laten staan, dat zou immers zonde zijn.
Dat hij giftig was zou zij nooit te weten komen. Na de eerste hap verstofte haar lust naar honing, raakte de ladesleutel kwijt en kwamen haar herinneringen aan de Elf onder het spinnenrag te zitten, wachtend op een stofdoek die hen weer zou laten glanzen. De doek bleef uit.
Mensenjaren lang wachtte het Elfje in de schemerige en klamme angst van onzekerheid. Geen teken kreeg zij, geen enkel sein dat er een Mens geloofde. Ze wist niet wat te doen en was moedeloos; leek te verdrinken in koude. Alles was grijs en smaakte rauw. De mist die ooit als een zachte deken over de heuvels hing was nu verstikkend en kil, verwarmende zonnestralen tegenhoudend; verfrissende regen voelde niet anders dan koud staal. Zij had geen keuze en wachtte daarom en hield vol, hoezeer dat haar ook uitputte. Ze zwierf rond in het duister, tastend naar het Zonlicht des Levens. De hoop in haar hart was het enige wat haar nog de kracht gaf niet uit te doven en ervoor zorgde dat er een lichtpuntje bleef zijn, al was het zo oneindig ver weg dat het niet meer was dan een ster in het diepe, verduisterende zwart.
Misschien was het maar beter dat zij er nooit achter zou komen dat ze vergeten was. Tot in de eeuwigheid bleef het doodstil.
Volwassenen geloven nu eenmaal niet in sprookjes.
~
From Hell 08/2007
– East End (Londen), najaar 1888 - Niet geheel op de waarheid gebaseerd.
Ik voel niets, verlangend naar iets.
Gedachteloos stond hij voor de deur, kijkend in het wazige duister van zijn gedachten. Traag deed hij zijn das om, trok zijn donkere jas aan en liep met zware passen naar de keukentafel. Kalm schonk hij de gin in een glas, waarna hij zich op een stoel installeerde en een slok nam. Hij voelde zich leeg, levenloos: het was al te lang geleden. Hij hunkerde naar meer en kon het niet van zich afzetten. Een zekere lust wakkerde in hem op als een vuur, steeds feller en feller, totdat hij het niet meer kon ontkennen: hij had het nodig. De macht om iemands leven in handen te hebben alsof je met de touwtjes van een marionettenpop speelt gaf hem de kracht om zelf te leven. Hoezeer hij zich er in het begin ook tegen had verzet, hij had de strijd verloren en eenmaal daar kon hij niet meer terug. Hij had het nodig zoals hij zuurstof nodig had om te ademen.
En deze fouten die je gemaakt hebt, je zult ze gewoon weer maken.
Uit het nauwelijks verlichte steegje steeg gelach op. Een schaars geklede jonge vrouw liep wankelend op hoge hakken naast een figuur met een lange donkergekleurde jas. Ondanks het feit dat de jas er duur uit zag leek het figuur nogal luguber, maar dat leek de vrouw niet te deren. Met een lege ginfles in haar hand keerde ze zich naar de man om haar lippen op de zijne te drukken. Hij stond het toe, maar slechts voor een kort ogenblik. Zijn lust lag in andere dingen.
Voordat de prostituee besefte wat er aan de hand was zag ze het blinken van een mes. Haar ogen werden groot van schrik toen ze besefte wat er gebeurde, maar het besef kwam te laat. Veel te laat. Een pijn die ze nog nooit eerder had gevoeld vloeide door haar aderen, maar door haar paniek leek het haar nauwelijks op te vallen. Geschokt bracht ze haar handen naar haar hals, die al gauw met helder rood bloed doordrenkt was. Happend naar adem greep ze de man vast, niet begrijpend wat er gebeurde en waarom het gebeurde. Ze wilde om hulp roepen, maar kon geen woord uitbrengen. Ze voelde hoe ze slap werd en ineenzakte. De man grijnsde enkel vervaarlijk, genietend van het schouwspel, toekijkend hoe het leven uit de vrouw sijpelde. Ze had er geen idee van dat ze het had getroffen te sterven en de man lachte vreugdeloos.
De ginfles viel met een klap aan scherven.
Ik kan je emoties door me heen voelen lopen.
Met een overweldigend gevoel van overheersing zoog hij de lucht naar binnen, alsof hij daarmee haar leven opzoog en haar de dood injoeg. Hij was onoverwinnelijk, machtig, angstaanjagend. Hij voelde de angst van de vrouw, voelde hoe het leven uit haar verdween en zag voor zich hoe haar ziel zou branden in de hel. Vlug liet hij zich op zijn knieën zakken en sjorde de blouse van de vrouw omhoog, het bloed van haar halsslagader afkomstig negerend. Rillend van opwinding zette hij het koude mes neer op de nog warme huid van haar buik en sloot kort zijn ogen toen hij hem door het vlees heen duwde. Langzaam trok hij een verticale lijn, waarna hij de snede opentrok. Bloed kwam hem tegemoet en hij grijnsde huiverend. Hij genoot. Met een tamelijk vreemd geluid ontdeed hij haar van haar langste ingewanden, die hij over haar schouder legde, waarna hij begon met het lossnijden van de nieren. Hij genoot van de geur van bloed en voelde zich merkwaardig opgewonden, net zoals de keer ervoor. Hij deed dit alles met een vlugge precisie, maar juist de angst om betrapt te worden wond hem nog meer op. Hij had de adem van anderen nodig om voort te leven, maar sloeg er nog geen acht op aangezien hij bang was voor de gevolgen. Tevreden knikte hij, en wensend dat dit gevoel nooit zou stoppen verplaatste hij het mes naar haar gezicht.
En het leven is als een zandloper, vastgelijmd aan de tafel.
Hoe meer doden er vielen, hoe meer hij besefte dat hij het nodig had. Het was ziek, maar dat kon hem niets schelen. Zijn besef van tijd en gevoel verdween: hij leefde enkel voor en van de dood en was een lege gedaante die aan niets anders kon denken. Hij hongerde naar bloed, genoot van angst en pijn. De moorden die hem eerst adem hadden gegeven begonnen hem nu te verstikken zoals hij zijn slachtoffers verstikte, en het werden er steeds meer. Hij leefde niet meer, niet geestelijk althans, ook al dacht hij zelf het tegenovergestelde. Hij werd gek maar merkte het niet eens. De berichten in de krant gaven hem een kick: er werd voor het eerst in zijn leven over hem gepraat, aandacht aan hem besteed. Hij vond het geweldig. Al gauw ging het niet meer om enkel bloed en angst: het moorden was een drug voor hem geworden, een drug die het verschil betekende tussen leven en dood. Hij kon niet meer terug, maar wilde dat ook niet meer. Hij had zich overgegeven aan een vervloekt en hels leven en de strijd met de duivel verloren.
Als ik het allemaal op papier krijg, huist het niet langer in me.
Slechts op enkele momenten walgde hij van wat hij was. Heel soms, als hij een beetje bij zinnen kwam en nuchter was, slechts dan vervloekte hij zichzelf om wie hij was en wat hij deed. Die momenten kwamen echter steeds minder voor, van soms tot zelden en van zelden tot nooit meer. Het was zoals het was en al gauw legde hij zich erbij neer. Hij kon het toch niet veranderen, wílde het niet veranderen. Hij wilde enkel maar meer, gedreven door lust en wanhoop. Het kleine beetje mens wat nog in hem restte zei hem dat het slecht was wat hij deed en gebood hem te stoppen mensenlevens te verwoesten, maar hij wilde er niet naar luisteren. Moeizaam probeerde hij zich een weg te banen door zijn eigen hersenspinsels, maar erin slagen deed hij niet. Of misschien probeerde hij het wel niet hard genoeg. Uiteindelijk, toen hij het bloed zelfs kon proeven, besloot hij een definitieve weg te kiezen. Een uitweg die hem zowel voldoening als angst bezorgde. Hierna kon hij geen kant meer op, al kon hij dat nu eigenlijk ook al niet zonder dat hij het merkte. Gedreven door waanzin nam hij zijn besluit: hij zou hen schrijven. Grijnzend, met trillende handen en manisch giechelend, pakte hij een pen en inkt waarmee hij een brief schreef. Vol opwinding kraste hij de woorden neer die vele jaren later voor de hele wereld te zien zouden zijn. De woorden waardoor hij de geschiedenis in zou gaan als Jack the Ripper.
Uit de hel
Aan de heer Lusk
Meneer,
Ik stuur u de helft van de nier die ik uit een vrouw wegnam. Ik bewaarde hem voor u. Het andere deel heb ik gebraden en opgegeten, het was erg lekker. Misschien stuur ik u het bebloede mes als u slechts een poosje wacht.
Getekend,
Jack the Ripper.
Pak me zodra u kunt, meneer Lusk.
~
Gedeelde ochtendgloren 06/2007
– Warschau, begin 1941.
Ik gaf om je. Jarenlang waren we beste vriendjes, haalden we kattenkwaad uit, speelden we verstoppertje in de steegjes van de achterwijk waar we woonden, deden boodschappen voor onze Mutti’s, genoten van de snoepjes die we daarbij kregen, vingen kevertjes, treurden om een dood vogeltje – we deden zo veel samen. Ik kon alles bij je kwijt, en wist zeker te zeggen dat ik niet zonder je zou kunnen. Als klein meisje al vond ik je heel lief, en naarmate we ouder werden werd dat gevoel alleen maar sterker. Totdat ik het niet meer kon ontkennen: ik zag in jou meer als een goede vriend. De manier waarop je haar schuin voor je ogen hing en je het met een simpele hoofdbeweging weg knikte, de manier waarop je lachte, je gracieuze doch mannelijke manier van doen: alles aan je gaf me kriebels en ik dacht aan niets anders meer dan aan jou. Als je bij me was wilde ik dat je me in je armen nam, als je niet bij me was wilde ik dat je naar me toe kwam, en als je dan naar me toe kwam voelde ik me de gelukkigste persoon ter wereld. Ik dacht dat niets onze band kon verbreken, zo afhankelijk waren we van elkaar geworden.
Ik had gelijk.
Een paar jaar geleden veranderde ons leven drastisch. Ik begreep niet hoe het kon, en zelfs nu begrijp ik het niet, hoewel ik de ware reden wel weet. Het was een dag als alle andere, en toen ik het huis door riep dat ik naar je toe zou gaan, verwachtte ik geen respons. Ik ging immers zo vaak naar je toe, dat was geen geheim en niet meer dan logisch. Vanaf die dag zou alles echter anders zijn. Vati liet zijn krant en koffie ogenblikkelijk voor wat het was, pakte me bij mijn arm en zei streng: “Nee. Je gaat niet meer naar die jongen toe.”
Ik heb geen idee meer hoe ik reageerde, ik weet alleen dat ik alles door elkaar heen voelde. Ongeloof en verbazing, en toen bleek dat hij het meende ook woede en verdriet. Ik begreep er niets van. Waarom kon ik niet gaan? We waren toch altijd bij elkaar, waarom was dat ineens fout? Als 13-jarige begreep ik het niet, maar nu, jaren later, weet ik de redenen, al begrijp ik ze nog steeds niet. Jij was niet zoals een mens hoorde te zijn, je was niet goed. Je was Joods. Ik zag het verschil niet, nog steeds niet, maar alle andere mensen zagen het wel. Joden waren vuil, ze namen de banen in die voor ons bestemd waren, waren een schande voor het Arische ras. Dat was wat ons werd verteld, en ik, naïef als ik was, geloofde het. Iedere keer als ik langs een affiche liep keek ik vol afschuw naar de Jood met de dikke neus en het vette haar, de Jood die ons vernietigde, de Jood die zo vuil was dat hij ons zou besmetten met de afschuwelijkste ziektes. Op zulke momenten wendde ik mijn hoofd af, en hoopte dat al die weerzinwekkende wezens vlug verdwenen zouden zijn.
Maar dan zag ik jou weer. Vanuit mijn zolderkamertje zag ik je over straat lopen, je hoofd gebogen, je gratie ingehouden maar nog wel zichtbaar. En dan werd ik warm. Jij kon geen Jood zijn, jij was mooi. Jij was degene die mij kende als geen ander, die me altijd had gesteund, die de schoonheid zelve was met je donkere haar, je lichtgebruinde huid, en je kalme grijze ogen. Jij was jij.
Naarmate de tijd verstreek werd ik steeds stiller, trok me steeds meer terug, en voelde me leeg en koud. Eerst kon ik het gevoel niet plaatsen, drukte het daarom weg, maar het werd steeds sterker en ik kon niet anders dan je missen. Ze zeggen dat tijd alle wonden heelt, maar dat deed het niet, hoelang ik ook wachtte. Ja, ik miste je. Met heel mijn hart. Ik was incompleet zonder jou, kon de mooie dingen van het leven niet meer inzien en wilde weer bij je zijn. Wilde je stem weer horen, je aanrakingen voelen, mijn hoofd op je schouder leggen wanneer we samen naar de zonsopkomst keken op het krakkemikkige dak van mijn huis, op vroege ochtenden. Ik miste je zo verschrikkelijk dat ik er wanhopig van werd. Ik wist dat ik je absoluut niet kon zien, je was immers een Jood en Vati wilde het niet hebben, maar aan de andere kant wilde ik niets liever dan dat, wat anderen er ook van zeiden. Hoe langer ik met deze gevoelens rond bleef lopen, hoe liever ik je wilde zien, en hoe meer ik besefte dat het niet kon. Mensen mochten Joden niet. Sterker nog, ze verachtten hen. Of meer dan dat. Het bleef niet alleen bij verachtten, jullie soort werd opgepakt om niets, mocht op veel plaatsen niet meer komen, werd uitgelachen en belachelijk gemaakt en ga zo maar door. Na bijna een jaar besefte ik me dat het fout zat. Het klopte niet. Waarom waren Joden nu ineens zo slecht, ze waren er toch altijd al geweest? Jij was toch niet slecht, ondanks dat je een Jood was? Ik begon medelijden te krijgen met de mensen, maar wendde mijn hoofd slechts af als er weer eens een weerloze Jood dood werd getrapt, probeerde zo min mogelijk aan alles te denken.
Maar ik kon het niet.
Ik moest je zien. Het deed me pijn je iedere keer als je langs ons huis liep meer ingetogen te zien lopen. Het deed me pijn om te zien hoe ook jij de wereld de rug toe keerde, hoe je werd getreiterd om wát je was. Niemand keek nog naar wíe je was, niemand op mij na, al twijfelde ik daar soms zelfs aan. Ik dacht vaak terug aan vroeger, toen we nog samen speelden, toen alles nog goed was.
Op een gegeven moment werd het me te veel. Het was een frisse lenteochtend, de winter was net geëindigd en de zon kwam net op. Zoals altijd bij zonsopkomst dacht ik aan jou, aan ons. Ik vroeg me af of je nog steeds zo vroeg wakker werd als ik, zoals we dat vroeger ook altijd gehad hadden. Of je nog steeds een ochtendmens was, net zoals ik. Zachtjes om niemand wakker te maken schuifelde ik naar mijn raam, zette het open, en klom met enkel mijn nachtpon aan het dak op. Een vlaag van nostalgie overspoelde me en maakte me warm en koud tegelijk. Ik klauterde naar de top, waar ik genoot van de koude ochtendlucht en de stilte die nog over de stad hing. Langzaam kwam ik tot rust, en net toen ik mijn gemis onderdrukt had, hoorde ik een stem achter me. Het gevoel wat ik op dat moment had was onbeschrijfbaar. Ik was geschrokken, wilde zo veel vragen, was bang, maar boven dat alles kon ik wel huilen van geluk, liefde en trots. Daar stond je, de jongen die ik zo goed kende, als een niet-menselijke verschijning, zo mooi. In het opkomende licht zag ik je haar met de wind meewaaien en je ogen op mij gericht zijn, terwijl je aan de andere kant van het dak op de goot stond. Voor een moment was ik verdoofd door je schoonheid en je zachte stemgeluid, en pas toen je mijn naam herhaalde ontwaakte ik.
“Heidi?”
Ik kon het niet helpen. Roerloos keek ik naar je, hoe je omhoog klauterde naar waar ik zat, plaats nam naast me, en me omarmde. Zonder dat ik het gemerkt had huilde ik. Ik huilde tranen van geluk, tranen omdat ik je warmte weer voelde na zo’n lange tijd van gemis. Ik brak onder het gevoel van liefde dat jij op me overstraalde. Je nam mijn gezicht in je handen, keerde het naar je toe, en veegde met je duimen mijn tranen weg. Je zei niets, maar dat hoefde ook niet. Ons gevoel had alles al uitgepraat, en alles leek op dat moment goed te zijn. De oorlog viel in het niet bij de grootse liefde die ik voor je voelde. Ik had jou weer, eindelijk, na al die tijd. Met onze blikken verankerd kwam je dichterbij, en op het moment dat je warme lippen de mijne raakten was ik compleet. De wereld stond stil, het was alsof ik na al die maanden weer leefde, en ik wenste dat het moment nooit meer op zou houden.
Ik heb geen idee hoelang we daar zaten, met enkel de aanraking van onze lippen, maar toen we de kus verbraken was de laatste schemer verdwenen, en scheen de zon laag aan de hemel. Ik rilde even, al voelde ik me warmer dan ik me ooit gevoeld had. “Hier,” zei je, en je reikte me je vest. Pijnlijk keek ik naar de gele opgenaaide ster, maar sloeg toen het iets te grote vest om. Ik legde mijn hoofd op je schouder, en samen keken we naar hoe de zon steeds verder omhoog kwam, zoals we dat vroeger ook altijd deden. Ik kan met zekerheid zeggen dat ik me nog nooit zo gelukkig heb gevoeld.
Samen keken we uit over de stad, naar hoe de wereld langzaam warmer werd door de lentezon, en naar hoe het leven langzaam weer op gang kwam. We hadden niets nodig, want we hadden elkaar. Ik kon daar wel voor altijd blijven zitten, alleen met jou. Ik had het ook gedaan, als ons samenzijn niet ruw verstoord werd door een woedende schreeuw, die sneed door de stilte als een mes in vers vlees. En bloeden deed het.
Ik wist meteen dat het fout zat, en toen ik Vati beneden op straat zag staan met een geweer in zijn handen leek mijn hart te bevriezen. Ik kon me niet voorstellen dat hij zou schieten, we hadden het geweer alleen om ons gezin te beschermen, maar op dat moment was ik zo overrompeld van schrik dat ik voor een moment zeker wist dat hij je zou doden.
“Je moet hier weg, nu.” Ik hoorde hoe mijn stem oversloeg, en ik zag dat ook jij geschokt was door het woedende gebrul van Vati. Zijn woorden gingen langs mij heen, maar de uitdrukking op jouw gezicht zal me altijd bijblijven. Het waren geen vriendelijke woorden. Langzaam kwam je in beweging, en net toen ik naar mijn raam wilde vluchtten greep je mijn handen. Je keek me aan, en ik kon niet ontkomen aan je blik, aan je mooie ogen die ondanks hun koele kleur vol liefde stonden. “De dakpan,” zei je hees, “als je me nodig hebt, kijk onder de dakpan.” Ik begreep niet wat je bedoelde, maar voor ik ernaar kon vragen liet je me los en snelde je naar je kamer. Ik heb geen idee hoe lang ik daar bleef staan, beduusd als ik was, maar toen ik Mutti’s hand om mijn arm voelde liet ik me gewillig mee leiden naar mijn kamer.
De klap van Vati kwam hard aan, maar lang niet zo hard als ons plotselinge afscheid. Ik dacht dat we weer samen waren, maar ik had mezelf valse hoop gegeven. De dagen daarna kwam ik niet uit mijn kamer, lag enkel te huilen tot mijn tranen op waren en er alleen nog maar een doodse leegte achterbleef. Ik was je kwijt. We konden niet samenzijn, het kon gewoon niet, hoe fijn en vertrouwd die uren samen ook gevoeld hadden. Ik leefde maar half, aangezien ik me niet compleet voelde. Ik handelde enkel uit routine, maar ik voelde niets meer. Het leven was weg, ik was enkel een leeg omhulsel zonder jou. Op het dak durfde ik niet meer te komen, uit angst voor wat mensen zouden zien, zeggen of denken. Het kon niet. Jij was een Jood en ik niet. Zo was het en het zou nooit anders worden.
Dag en nacht huisde je in mijn gedachtes en soms werd mijn verlangen naar je zo groot dat ik het haatte om mezelf te zijn. Ik ging mijn herinneringen aan jou langs, stuk voor stuk, huilde en lachte, en wenste telkens weer dat alles terug kon naar vroeger. Naar voor de oorlog.
Tot ik aankwam bij mijn laatste herinnering. Ons laatste samenzijn op het armoedige dak. Ik beleefde alles zo intens opnieuw dat het pijn deed, en plotseling leek mijn hart drie keer zo snel te slaan. Je vest. Ik kon me niet herinneren dat je dat had meegenomen, en ik had hem omgeslagen gehad – hij moest er nog liggen. Ik twijfelde geen moment, al had ik dat wel moeten doen: ik keek enkel even angstig achterom op het moment dat ik mijn voet op het raamkozijn zette. Stilte. Vlug klom ik het dak op. Ik hoorde mijn hart bonzen en voelde zo’n spanning dat ik bang was dat ik uit elkaar zou knappen. Ik hoopte zo verschrikkelijk dat je vest er nog lag, dat ik je geur kon opsnuiven, dat ik iets tastbaars aan je had overgehouden, meer dan enkel hersenspinsels. Opgewonden als een klein kind klom ik omhoog, niet denkend aan hoe ik me zou voelen als het er niet lag. Het moest er liggen. In het schijnsel van de maan zag ik genoeg, en toen ik bovenkwam keek ik om me heen. Niets.
Dat kon niet, ik zag het vast over het hoofd. Het was vast naar beneden gegleden, of het lag een eindje verderop. Ja, dat was het. Benauwd graaide ik om me heen, loerde naar beneden, rekte me uit om mijn zicht te kunnen verbreden, maar nergens zag ik jouw vest. De knoop in mijn borst trok strakker en ik wilde niets liever dan geloven dat het hier nog lag, maar dat deed het niet. Het was weg. Ik had verstandiger moeten zijn, het was idioot geweest om te denken dat het hier nog lag na al die dagen, maar een ogenblik geleden had het nog zo reëel geleken. Een snik ontsnapte me, en uitgeput van de spanning liet ik me tegen een schoorsteen aanzakken. Tranen liepen over mijn wangen en ik huilde met diepe uithalen, tot mijn keel zo’n pijn deed dat ik in stilte verder ging. Ik begreep het niet. Waarom konden we niet samenzijn, waarom zei iedereen dat we anders waren? We waren één, jij en ik, en zonder jou had mijn leven geen enkele waarde. Ik had je nodig.
Stilletjes huilend bleef ik daar zitten, op de plek waar wij samen zo vaak naar het ochtendgloren hadden gekeken, tot ik beneden geluid hoorde. Even was ik bang dat het Vati was, maar toen hoorde ik dat het van verderop in de straat kwam. Ik stopte met huilen en keek omlaag. Het geluid van hoeven weerklonk door de straat, en al gauw zag ik een paard met overdekte wagen voor jouw huis stoppen. Verbaasd probeerde ik te volgen wat beneden gebeurde. Ik hoorde stemmen en in het maanlicht zag ik mensen naar buiten komen, dik aangekleed hoewel het niet eens zo koud was, en allemaal met handbagage. Ik wilde me net afvragen wat die mensen daar deden toen ik bevroor van wat ik zag. Het hupje in de pas, de zachte deining van het haar, de gracieuze manier van tillen – het was jij. Als versteend zag ik hoe je ouders de bagage in de kar legden, en hoe je vader jouw tas van je overnam. En toen gebeurde het: in een kort moment, misschien maar een seconde, of nog niet eens, keek je in mijn richting. Ik kan met heel mijn hart zeggen dat we elkaar zagen op dat moment, en dat we allebei hetzelfde dachten: het moest zo zijn. We waren gemaakt voor elkaar, maar mochten die gemaaktheid niet delen. En op dat moment besefte ik me nog iets anders: de dakpan. Ineens wist ik wat het inhield, wat je ermee bedoeld had, en ik vervloekte mezelf dat ik daar niet eerder aan had gedacht. Meteen kroop ik naar een dakpan vlak onder de schoorsteen. Iedere keer als we vroeger kattenkwaad uit hadden gehaald en straf hadden stopten we hier briefjes om toch nog te kunnen communiceren. Het was simpel en kinderlijk, maar het werkte en dat was waar het om ging. Met een bonzend hart plaatste ik mijn hand onder de rand en wrikte. Geen beweging. Ik wrikte nog eens, en ik liet een ademteug ontsnappen toen de dakpan meegaf. Voorzichtig tilde ik hem omhoog, waardoor er een ruimte zichtbaar werd. Weliswaar niet groot, maar groot genoeg om er een boodschap voor de ander in te verbergen en te beschermen voor het weer. Met tranen in mijn ogen pakte ik beet wat er in de geul lag, en draaide me om naar de straat. Daar stond jij, nog net zo mooi als altijd, en nog net zoals je een paar tellen geleden stond. Terwijl de wereld om ons heen steeds lichter werd keek ik naar je, mijn adem ingehouden om het intense gevoel van liefde niet te laten ontsnappen. Ik hoorde je vader roepen dat je moest komen, en na nog een laatste blik draaide je je om en stapte in. Ik voelde me dodelijk leeg en wilde niets liever dan in jouw armen uithuilen, maar naarmate de wagen steeds meer de vorm aannam van een stipje kreeg ik er vrede mee. Ik voelde me gebroken door het feit dat ik je nooit meer zou zien, maar ondanks dat was ik blij voor je. Je had een kans op een nieuw leven, en ik wilde je die kans niet ontnemen, al hield ik nog zo veel van je.
Met trillende handen keek ik naar de eerste twee voorwerpen van de drie dingen die je mij had nagelaten. De gele Jodenster en je legitimatie. Je was een ander persoon nu, je zou nooit meer degene zijn die ik had gekend, enkel in herinneringen. Nooit meer zou ik je warmte voelen, je geur ruiken, je stem horen. En toch waren het niet deze dingen die me overspoelden van verdriet en liefde. Nee.
Ik keek naar de opkomende zon, naar de dageraad die we zo vaak gedeeld hadden in het verleden maar in de toekomst nooit meer samen zullen meemaken, en verstopte huilend mijn gezicht in de zachte stof van je vest. De herinnering aan jou zou meer zijn dan alleen een hersenspinsel, meer zijn dan enkel een herinnering: hij was tastbaar. Tastbaarder dan jij ooit nog zult zijn.
~
Het Levenslied 04/2007
Voor oude beppe, mijn overgrootmoeder. Gestorven op 23 april 2007.
In een klein woninkje te Koudum schijnt een waterig zonnetje door de ramen naar binnen. Buiten hangt er een kalme stilte, die enkel verbroken wordt door het getjilp van wat vogels, en het heerlijke geluid wat muziek genoemd wordt. Orgelmuziek, afkomstig van de kleine woning.
Vanaf een afstandje kijkt een Engel toe. Zij is de klanken van het orgeltje gewend, en voelt toch wel spijt nu de melodieuze wijsjes bijna zo ver zijn dat ze zullen uitsterven tot een doodse stilte.
Met een knoop in haar borst kijkt de Engel neer op de persoon die de orgel bespeelt. Het is een oud vrouwtje, niet meer tot veel dingen in staat, maar zij heeft nog net genoeg kracht om de laatste tonen van haar levenslied te laten weerklinken in het stille huis. De melodie is simpel, maar dat deert noch de Engel, noch het vrouwtje.
Diep geraakt kijkt de Engel toe, gespannen zwijgend, bang om het verhaal bestaand uit klanken te verbreken, hoewel zij weet dat het spoedig toch wel zal stoppen. De zon verdwijnt achter de wolken, waardoor de spelende vrouw, en ook de Engel, in schaduwen worden gehuld. De vogels stoppen met zingen, en met hen stopt de orgelmuziek. Het schrikt de Engel op uit haar mijmeringen, hoewel zij al die tijd op dit moment heeft gewacht.
De oude vrouw is gestopt met spelen, te moe om nog door te gaan. Ze kan niet meer. Vele jaren lang heeft zij gespeeld, vele warme klanken zijn aan haar vingers ontglipt, met een valse noot hier en daar zoals ieder levenslied dat kent, maar nu is het voorbij. De muziek heeft plaatsgemaakt voor een vreedzame stilte, en de Engel keert zich tot de vrouw. Stilletjes reikt zij haar hand. De dwingende doch zachte blik in de Engel haar ogen laat het laatste beetje twijfel van de vrouw wegebben. Dankbaar neemt zij de Engelenhand aan, en zij laat zich leiden door de mooie Engel, die de weg goed kent. Zij volgt haar tot de plek waar zij terugvindt wat ze is verloren, achterlatend wat zij eigenlijk niet kwijt wil.
Haar levenslied op aarde is gespeeld. Het is tijd dat het hiernamaals haar melodieën mag horen.
~
We maken het af 02/2007
Voor Michelle en Femy. Omdat sommige dingen gewoon zo zijn.
Het leven is een zootje. Iedereen heeft wel iets waar hij of zij mee zit. Iedereen heeft zo zijn eigen problemen. Lost ze op, met of zonder hulp. Trekt het zich aan of drukt het weg. Praat erover of verzwijgt het.
Even kijk ik op. Je zit er nog steeds, met gesloten ogen. Ik zie dat je, net als ik merk ik ineens, natte wangen hebt. Toch is het beter zo.
We hebben alles té lang opgekropt, het moest er eens van komen. Dat weten we allebei.
Met pijn in mijn hart zie ik hoe degene die ik zo innig lief heb naar adem hapt. Een harde snik komt over je lippen en vlug sluit ik mijn ogen. Hoewel dit alles onze eigen schuld is kan ik niet zien hoe jij pijn lijdt. Ik geef te veel om je. Het hoort niet zo te zijn, het is oneerlijk, maar nu kunnen we niet meer terug. We hebben het er zelf naar gemaakt en we wisten dat dit eens zou gebeuren als we niet deden wat we moesten doen.
Zwak eigenlijk. We wísten dat het op deze manier fout zou gaan, we wísten hoe het opgelost kon worden, en toch deden we het niet. Zwemmend in zelfmedelijden, verlamd door tranen deden we het niet. Hoe pijnlijk het ook was.
In de loop der tijd is het bij ons gaan horen, werd het steeds normaler om zo door te leven, en steeds moeilijker om ons leven te veranderen. Daar ben ik me van bewust, en jij ook, dat weet ik zeker.
Ik zal niet ontkennen dat ik bang ben, we duiken tenslotte in het onbekende diepe. Weg van alle problemen, hoe laf dat ook mag zijn. Weg van alle pijn en alle herinneringen.
Onze pogingen zijn gestaakt, hebben ons te erg uitgeput om nog verder te gaan. De energie is weg, alles is even betekenisloos en leeg. Nutteloos. Er zijn belangrijkere dingen in het leven – of de dood.
Met mijn ogen nog steeds gesloten luister ik naar je onregelmatige ademhaling. Even ben ik bang dat je terug wilt krabbelen, alles stop wilt zetten, dit alles wilt verdringen zoals we dat al zo lang doen, maar als ik jou hand in mijn hand voel weet ik dat dat niet zo is. Het voelt alsof ik ontdooi door jouw lichaamswarmte en dat geeft me de moed om mijn ogen weer te openen.
Ik schrik door wat ik zie. Je diepbruine ogen, die ooit zo vol emotie en leven waren, staan doods. Ik zie dat je wangen zwart zijn, net als de mijne, en het liefst zou ik je in mijn armen willen nemen en fluisteren dat alles weer goed zou komen, maar dat zou een leugen zijn. Meer leugens kunnen we niet verdragen, allebei niet. Er zijn al te veel leugens verteld. Het komt niet zomaar meer goed, niet na al die jaren. Die hoop hebben we allang opgegeven, jij en ik.
Voorzichtig buig ik naar voren en druk een zachte kus op je lippen. Gewoon om te laten weten dat ik er nog steeds ben, dat ik me niet heb bedacht. Je blik verandert, alsof je ineens weer leeft, en bijna smekend kijk je me aan.
Ik weet wat je voelt doordat je je ziel aan me hebt blootgelegd en doordat ik hetzelfde voel. Je hoopt op een terugweg, maar ik weet dat die er niet is. Ik kijk je alleen maar aan, alsof ik je ziel en je gedachten probeer te beheersen, maar dat kan ik niet. Dat heeft niemand ooit gekund, bij geen van ons.
Aan je adem merk ik dat je het begrijpt, ineens, als in een puzzel waar de stukjes op zijn plaats vallen. Je ademt grote happen lucht in en komt tot rust, alsof je het eigenlijk wel had geweten. Had geweten dat dit ons lot is, alsof God het zo met ons voor heeft, en we er nu maar vrede mee moeten hebben.Ik ril. We zitten hier al lang, voelen de kracht van de pillen op ons inwerken.
Zweetdruppeltjes parelen op je voorhoofd en even ga je met je tong over je blauwe lippen. Met een schokje besef ik me dat ik er net zo beroerd moet uitzien. Ook ik zweet, al heb ik het nog zo koud.
Ik zie hoe je je hand naar me uitsteekt en voel hoe je langzaam met je vingertoppen over mijn oogleden gaat, die ver in mijn kassen liggen. Hoe je je zachte huid langs mijn wallen laat gaan, over mijn wang naar mijn lippen, met al je zintuigen op scherp, wanhopig proberend dit beeld vast te houden.
De leegte die ik steeds heb gevoeld wordt vervangen door liefde, alles overtreffende liefde, maar ik twijfel niet: we zijn al te ver gekomen.
Plotseling voel ik de verschrikkelijke drang om je vast te houden, heen en weer te wiegen, of me gewoon te verstoppen in je zwarte haren zodat niemand me ooit nog kan zien. Zodat niemand weet dat ik besta, behalve jij. Zodat ik kan vergeten en verder kan leven, met een schone lei beginnend.
Het lijkt alsof je begrijpt wat ik denk wanneer je me in je armen neemt en ik diep inadem. Hoe anders we ook zijn geworden in de afgelopen jaren, hoe zeer we ook verandert zijn, zowel van buiten als van binnen, je lichaamsgeur is nog steeds hetzelfde, en dat stelt me gerust.
Rustig blaas ik de teug ingehouden adem uit en een vreemd soort kalmte komt over me heen, hoewel ik tegelijkertijd compleet in puin lig, kapot en gebroken. Het is alsof al onze gebarsten stukjes bij elkaar worden geveegd, en samen weer een geheel vormen.
Ik hoor je hartslag zachter worden, je ademhaling vertragen, en voel hoe bij mij hetzelfde gebeurd. Voor het eerst in al die tijd voel ik me weer gelukkig.
Ik heb jou. Samen bewandelen we het laatste stuk van onze reis, wetend dat het beter is zo, en dat we het er zelf naar gemaakt hebben.
We maken het helemaal af.
~